Toevoegen bestanden - Viewer

📘

Toevoegen van bestanden via de Viewer

Door het instellen van een kaartlaag met een pop-up voor bewerkbare attributen is het mogelijk bestanden toe te voegen via de Viewer. Dit is ideaal als het gewenst is de eindgebruiker op een eenvoudige manier bestanden te laten toevoegen, zonder deze toegang te geven tot de beheeromgeving.

Op deze pagina worden de volgende onderdelen uitgelegd:

Lege dataset aanmaken

Voor de uitleg op deze pagina is gebruik gemaakt van een fictieve dataset waarmee horeca-panden beheerd kunnen worden. Er wordt eerst een lege dataset aangemaakt, zodat bestanden kunnen worden toegevoegd bij het intekenen.

Allereerst wordt een lege dataset aangemaakt. Zie Figuur 1.

  1. Ga naar Datasets.
  2. Selecteer Create empty dataset.
19201920

Figuur 1 - Selecteer 'datasets' in de juiste projectomgeving en selecteer de optie 'Create empty dataset'.

Bij het aanmaken van een lege Dataset worden de volgende instellingen gebruikt (zie Figuur 2):

  1. Kies in welk Project de Dataset wordt aangemaakt.
  2. Geef de Dataset een Naam.
  3. Vul bij EPSG Code het coördinatensysteem voor de Dataset aan. Voor Nederlandse data is dit doorgaans de code 28992, ofwel het Rijksdriehoekstelsel.
  4. Selecteer Create.
16971697

Figuur 2 - Instellingen voor het aanmaken lege dataset.

Attributen toevoegen

De volgende stap in het proces is het toevoegen van dataset attributen. Het aanmaken van nieuwe dataset attributen kan in de tab 'Attributes' in het overzicht van de Datasets. Zie Figuur 3.

  1. Klik op de tab Attributes;
  2. Klik vervolgens op +Add.
15731573

Figuur 3 - 'Add Attributes'-knop in Datasets.

Het overzicht 'Add Dataset Attribute' wordt geopend. Voor een pop-up waarbij afbeeldingen toegevoegd moeten worden, worden de volgende instellingen aanbevolen (zie ook Figuur 4);

  1. Parent Dataset Attribute: gebruik hiervoor 'ogc_fid'.
  2. Datasetattribute Source: kies 'None'
  3. Attribute: geef hier de naam van het attribuut op. Let hierbij op dat de naam alleen alfanumerieke karakters mag bevatten, geen hoofdletters mag bevatten en maximaal 10 karakters lang mag zijn.
  4. Alias: vul in dit veld optioneel een naam aan de Dataset die af mag wijken van de genoemde voorwaarden.
  5. Type: selecteer uit de dropdownlijst een van de volgende twee opties:
  • 'Image' voor het toevoegen van afbeeldingen.
  • 'Document' voor het toevoegen van documenten (PDF, Excel, etc.)
  1. Is External Url: vink aan als de betreffende Dataset afkomstig is van een externe URL. Deze hoeft in dit geval niet aangevinkt te worden.
  2. Postfix: geef hier de postfix, welke het bestandtype van de documenten die worden toegevoegd, aangeeft (bijvoorbeeld: .jpg, .png, .html, .xlsx, etc.)
  3. Selecteer Create.
    Herhaal deze stappen net zolang tot alle gewenste attributen zijn toegevoegd.
15701570

Figuur 4 - Aanmaken van een attribuut.

In Figuur 5 zijn voorbeelden te zien van attributen die aangemaakt zijn voor het toevoegen van bestanden. Deze attributen zijn puntsgewijs onder het hoofdattribuut 'ogc_fid' geplaatst. Onder deze attributen zijn andere voorbeeldattributen toegevoegd voor het verwerken van, respectievelijk, tekst, numerieke waardes en data.

15781578

Figuur 5 - Overzicht attributen voor het toevoegen van bestanden en voorbeeldattributen voor het verwerken van tekst, numerieke waardes en datums.

De volgende stap is het publiceren van een Layer vanuit de Dataset. Dit kan middels de 'Publish' knop. Zie Figuur 6.

15931593

Figuur 6 - De knop 'Publish' in het overzicht van de Dataset.

Het overzicht met de instellingen voor de kaartlaag wordt nu geopend. In Figuur 7 worden de geadviseerde instellingen weergegeven.

  1. Kies de Dataset van waaruit de Layer gepubliceerd moet worden. Standaard is dit de Dataset. Met de knop 'Pick dataset' kan er ook gekozen worden voor een andere Dataset.
  2. Geef bij Title de naam van de Layer op.
  3. Kies bij Dataset Service of de kaartlaag als WMS of WFS gepubliceerd wordt. In het kader van deze handleiding wordt voor WFS gekozen.
  4. Vink bij Base Layer aan of de kaartlaag als achtergrondkaart functioneert of niet. Dat is voor een tekenlaag niet wenselijk, dus in het kader van deze handleiding wordt de checkbox niet aangevinkt.
  5. Kies met welk Geometry Type de laag gepubliceerd wordt.
  6. Symbology: met deze dropdownlijst kan de weergave van de kaartlaag gekozen worden:
  • Single: één gelijke symbologie voor elk object.
  • Unique: symbologie voor de objecten op basis van unieke attribuutwaardes.
  • SLD: symbologie op basis van een reeds beschikbare laagstijlbestand (bijvoorbeeld uit QGIS).
  • Template: symbologie op basis van bestaande Symbology Template.
  1. Selecteer Create.
15811581

Figuur 7 - Instellen van een tekenbare kaartlaag voor het toevoegen van bestanden.

Instellen van de kaartlaag en pop-ups

Het verder instellen van de kaartlaag is de volgende stap na het publiceren van de kaartlaag. Het instellen van de pop-ups wordt als eerst behandeld, gevolgd door het instellen van het draw-menu. Het tonen van een afbeelding wordt als voorbeeldscenario gebruikt.

Allereerst dient de Object Information ingeschakeld te worden en vervolgens kan de tab voor de pop-up aangemaakt en ingesteld worden. Na het aanmaken van de tab dient het attribuut met afbeeldingen gekozen te worden (als enige attribuut in deze tab). Voor verdere uitleg over het instellen van afbeeldingen als pop-ups, zie de handleiding Instellen Pop-ups - Afbeelding.

Daarna dient het kenmerk van het attribuut in de tab gewijzigd te worden naar 'Use as image'. Dit kan gedaan worden via de knop Edit. Zie Figuur 8.

15321532

Figuur 8 - 'Edit'-knop van attribuut in pop-up tab.

Voor het tonen van een afbeelding dient het kenmerk Use As Image aangevinkt te worden. Zie Figuur 9.

  1. Vink de kernmerken/functies van het attribuut aan.
  2. Selecteer Save.
15711571

Figuur 9 - Overzicht 'Edit Object Information Attribute'.

Instellen Draw Actions

De volgende stap in het proces is het instellen van de tekeninstellingen. Hierbij wordt ervoor gezorgd dat bestanden geüpload kunnen worden bij het intekenen van objecten. Zie Figuur 10.

  1. Ga naar het tabblad Draw.
  2. Vink de gewenste Draw Actions aan:
  • Point: de gebruiker mag nieuwe objecten (hier punten) toevoegen.
  • Edit Attribute: de gebruiker mag gegevens van objecten aanpassen.
  • Edit Feature: de gebruiker mag objecten verplaatsen.
  • Copy: de gebruiker mag objecten kopiëren naar een nieuwe locatie of andere kaartlaag.
  • Delete: de gebruiker mag objecten verwijderen.
15811581

Figuur 10 - Overzicht van de stappen voor het inschakelen en instellen van tekenmogelijkheden.

Vervolgens dient voor het tekenen van objecten ook een tab aangemaakt te worden om de bewerkbare attributen in te stellen. Klik hiervoor op Add Tab bij het onderdeel Editable Attributes. Zie Figuur 11.

15641564

Figuur 11 - Klik op 'Add Tab' om tekeninstellingen verder te configureren.

Vervolgens verschijnt een menu voor het instellen van de tab. Zie Figuur 12.

  1. Title: geef de naam van de tab.
  2. Order: geef de chronologische positie van de tab (0 is de hoogste positie).
  3. Selecteer Create.
15711571

Figuur 12 - Overzicht van de instellingen voor het configureren van een tekentab.

Klik op 'Edit Attributes' om de nieuwe aangemaakte tekenbare attributen te selecteren. Zie Figuur 13.

15371537

Figuur 13 - Knop 'Edit Attributes' waarmee attributen geselecteerd kunnen worden voor de tekentab.

Na het klikken op 'Edit Attributes' verschijnt een menu waarbij de attributen uit de Dataset geselecteerd kunnen worden voor het intekenen. Zie Figuur 14. Daarnaast zijn nog verdere instellingen aanwezig:

  1. Editable Attribute Type: kies hier het type van het attribuut.
  2. Default Value: geef hier eventueel een standaardwaarde op die bij het intekenen automatisch ingevuld wordt. De waarde is tijdens het intekenen wel aan te passen.
  3. Nullable: hiermee kan aangegeven worden of een attribuutwaarde verplicht ingevuld moet worden voordat het object ingetekend kan worden.
15611561

Figuur 14 - Het menu voor het instellen van tekenbare attributen.

Bestanden toevoegen in de Viewer

Na het instellen van de Dataset en (teken)laag kan de kaartlaag toegevoegd worden aan een Theme Map.

De handelingen in dit deel van de handleiding worden uitgevoerd in de GeoApps Viewer. Om een object in te tekenen en een afbeelding te uploaden:

  1. Klik op de bewerkknop aan de rechterkant van de Viewer.
  2. Selecteer de juiste Layer.
  3. Klik op de tekenknop (hier een polygoon/vrije vorm).
  4. Vul eventueel de overige attributen in.
  5. Klik in de pop-up bij het afbeelding-attribuut op 'Bladeren', selecteer het juiste bestand en klik op 'Openen'.
  6. Klik tenslotte op Save om het object op de kaart te plaatsen.
19181918

Figuur 15 - Pop-up waarmee een afbeelding geüpload kan worden.

Na het uploaden van de afbeelding bestaan de mogelijkheden om het bestand te downloaden of te verwijderen. Zie Figuur 16.

498498

Figuur 16 - Opties in de pop-up na het uploaden van documenten.

In Figuur 17 is een voorbeeld van een pop-up opgenomen, waarbij de attributen als 'Tekst' zijn ingesteld. Hierdoor verschijnen de PDF en afbeelding als link.

540540

Figuur 17 - Voorbeeld van een pop-up waarbij de bestanden als links worden weergegeven.

In Figuur 18 is een voorbeeld van een pop-up opgenomen waarbij de instellingen voor Use as Image (Figuur 9) zijn gebruikt. In de pop-up wordt op het tabblad 'Afbeelding' de reeds geüploade afbeelding getoond.

413413

Figuur 18 - Voorbeeld van pop-up waarbij reeds geüploade afbeelding zichtbaar is.


Did this page help you?